AI-toegang als geopolitiek risico

Op donderdagmiddag stuurde het Amerikaanse ministerie van Handel een brief naar Anthropic. Enkele uren later was Fable 5, het meest geavanceerde taalmodel van het bedrijf, wereldwijd niet meer beschikbaar.

Niet door een technische storing. Niet vanwege onderhoud. Maar omdat een overheid had besloten dat het model offline moest.

De aanleiding was een Export Control Directive: een juridisch instrument waarmee de Verenigde Staten de verspreiding van bepaalde technologie naar buitenlandse partijen kunnen beperken of stopzetten. Anthropic betwistte de onderbouwing, maar volgde het bevel op. Op het moment van schrijven is Fable 5 nog altijd niet beschikbaar.

Een nieuw precedent

Voor zover bekend is dit de eerste keer dat een Amerikaans AI-bedrijf een breed ingezet model offline heeft moeten halen op directe instructie van de federale overheid. Dat maakt dit meer dan een incident.

Het laat iets zien dat wij ook terugzien in gesprekken met organisaties: AI-tools zijn in korte tijd verschoven van experiment naar infrastructuur. Samenvattingen, klantenservice, interne kennisbanken, geautomatiseerde processen: steeds vaker draaien ze op modellen die worden aangeboden door bedrijven die onder Amerikaans recht vallen.

Die keuze is vaak bewust gemaakt. De implicaties ervan zijn meestal minder expliciet besproken.

Geen technisch risico, maar een juridisch en geopolitiek risico

Exportcontrole is geen nieuw instrument. Het wordt al decennia ingezet voor halfgeleiders, wapensystemen en dual-use technologie. Dat het nu ook raakt aan AI-modellen die dagelijks worden gebruikt door Europese organisaties, is geen verrassende ontwikkeling. Maar het vraagt wel om een andere risicoanalyse.

De afhankelijkheid van AI-modellen lijkt op het eerste gezicht op afhankelijkheid van SaaS of cloudinfrastructuur. Ook daar kunnen diensten uitvallen, voorwaarden veranderen of leveranciers strategische keuzes maken.

Het verschil zit in de geopolitieke dimensie. De markt voor geavanceerde AI-modellen wordt gedomineerd door een klein aantal Amerikaanse aanbieders. De beschikbaarheid van die modellen is daardoor niet alleen een commerciële kwestie, maar ook een beleidskwestie. Uiteindelijk kan een overheid met eigen veiligheidsbelangen bepalen wat wel en niet beschikbaar blijft.

Wat organisaties nu kunnen doen

Een volledige overstap naar Europese modellen is voor de meeste organisaties op dit moment niet realistisch. Europese alternatieven, met Mistral als bekendste voorbeeld, worden beter. Maar bij veel toepassingen is de kloof met de beste Amerikaanse modellen nog merkbaar.

Wat wel realistisch is: bewuster kijken naar de positie van AI in de eigen organisatie.

Welke toepassingen zijn inmiddels structureel onderdeel van werkprocessen? Wat gebeurt er als een specifiek model wegvalt? Is er een alternatief beschikbaar? Kan een toepassing ook op een ander model draaien? Of is de afhankelijkheid feitelijk exclusief geworden?

Dat zijn vragen die passen bij gewone risicobeheersing. Het verschil is dat ze tot voor kort zelden expliciet werden gesteld, omdat het risico abstract leek.

Afgelopen vrijdag werd het concreet.

Rob Hoeijmakers

Rob Hoeijmakers is digital en AI-strateeg bij Schmuki. Hij helpt organisaties betekenis te geven aan AI, digitale verandering en verantwoorde toepassing, met nadruk op praktisch oordeel, organisatorische helderheid en duurzame waarde.

Volgende
Volgende

De intelligentie achter de tool is het enige wat telt